y
en dus geldt m
n.
n moet elk van de m factoren
x in xm wel een factor d bevatten en dus is
d een deler van x. Alle delers van y zijn een deler van
x en dus is x een veelvoud van y.
en dit laatste is daarom
geheel voor alle i. We definiëren ci als de grootste gemene deler (ggd) van ai en bi voor alle i. En we definiëren v door v = p1c1 × p2c2 × ... × pkck.
Voor alle i geldt
omdat
geheel is, en dus geldt
ci × a1 = c1 ×
ai.
Nu geldt voor alle i dat
en dus geldt
. Op dezelfde manier
kunnen we bewijzen dat
. x en y zijn dus een macht van v.
r
600, 0
w
600, 0
b
600 en r + w + b = 900. De laatste twee eisen schrijven we om
naar 0
900 - r - w
600, ofwel
300 - r
w
900 - r. Een
combinatie is dus geldig als geldt dat
r
600 en max(0 , 300 -
r)
r
min(600 , 900-r)
We willen het aantal combinaties tellen dat voldoet aan deze eisen. Eerst tellen we het aantal toegestane combinaties bij een vast aantal rode ballen, zeg r = i; we noemen dit aantal c(i).
Als i
300 dan gaat bovenstaande eis over in
300 - i
w
600. Het aantal
combinaties c(i) waarvoor dit geldt is 600 - (300 - i) + 1 = 301 +
i.
Als i > 300 dan gaat bovenstaande eis over in 0
w
900 - i. Het aantal combinaties
c(i) waarvoor dit geldt is (900 - i) - 0 + 1 = 901 - i.
Het totaal aantal combinaties is nu
en er geldt
Een andere manier om tegen dit probleem aan de te kijken is de volgende. We
zoeken het aantal combinaties van rode, witte en blauwe ballen waarvoor
geldt dat r + w + b gelijk is aan een bepaalde constante (preciezer
moet gelden dat r + w + b = 3n, 0
r
2n, 0
w
2n
en 0
b
2n, waarbij n =
300). Dit aantal is hetzelfde als het aantal roosterpunten van het vlak
in de ruimte dat wordt gegeven door de vergelijking x + y + z = 3n,
waarvoor geldt dat x, y en z groter of gelijk aan 0 en
kleiner of gelijk aan 2n zijn.
In het plaatje zien we de
situatie getekend voor n = 2 en x, y en z groter
of gelijk aan 0. Het geldige gebied (met als extra eis dat x,
y en z kleiner of gelijk aan 2n zijn) is een zeshoek
binnen deze driehoek. De driehoek heeft 1 roosterpunt in de top en 3n +
1 in de basis, dus het aantal roosterpunten in de driehoek is 1 + 2 +
... + (3n + 1)=½ (3n + 1)(3n + 2). Als we van deze driehoek
alleen de punten van de zeshoek willen tellen moeten we er drie kleine
driehoekjes af halen. Zo'n klein driehoekje heeft 1 punt in de top en
n in de basis, dus het aantal roosterpunten in het kleine driehoekje
is ½ n(n + 1). Het aantal punten in de zeshoek is dus
½ (3n + 1)(3n + 2)
- 3 × ½ n(n + 1) = 3n2 + 3n + 1. Voor n =
300 is dit aantal 270901.
AQP +
PQR is kleiner
dan, gelijk aan of groter dan 180°.
In alle gevallen geldt
AQP =
BSP en
PQR =
PSR en daaruit volgt
AQR =
RSB. Daar ook geldt AQ = PQ = SR en QR = PS =
BS zijn de driehoeken AQR en RSB congruent. Hieruit volgt
AR = BR, dus is driehoek RAB gelijkbenig met tophoek R.
Verder volgt uit de congruentie van de twee driehoeken dat
RAQ =
BRS.
PQRS is een parallellogram, dus
PQR +
QRS = 180°. Omdat AQR een driehoek is kunnen
we het rechterlid van de vergelijking schrijven als de som van de hoeken van
deze driehoek. Hierdoor gaat de vergelijking over in
PQR +
QRS =
RAQ +
AQR +
QRA. We kunnen de hoeken
in deze vergelijking verder splitsen, waarbij we de drie gevallen
afzonderlijk bekijken.
Als
AQP +
PQR <
180°, dan geldt
AQR =
AQP +
PQR en
QRS =
QRA +
ARB +
BRS en gaat de vergelijking over in
ARB +
BRS =
RAQ +
AQP. Omdat geldt
RAQ =
BRS volgt hieruit
ARB =
AQP.
Als
AQP +
PQR = 180°,
dan geldt
AQR =
BSR =
180° en dus
ARB =
AQP.
De redenering voor het geval dat
AQP +
PQR > 180° gaat op soortgelijke wijze als de
eerste redenering.
Driehoek RAB is dus een gelijkbenige driehoek met tophoek R die gelijk is aan tophoek Q van de gelijkbenige driehoek QPA en de driehoeken RAB, QPA en SPB zijn gelijkvormig.
AKB
de grootste hoek van die driehoek. Omdat de zijden verschillend zijn van
lengte, zijn de hoeken ook verschillend van grootte en er geldt
AKB > 60°.
Zo geldt ook
BKC > 60°, etc. Daar de
cirkel die we rondkijken 360° bevat, passen er zeker niet meer
dan vijf hoeken van meer dan 60° in. Het aantal spelers dat een
bal naar speler K gooit is dus maximaal vijf.
We kunnen elk positief geheel getal schrijven als een drievoud plus rest, waarbij de rest een element is van {0,1,2}. We bewijzen dat we elk getal (behalve 1) in een eindig aantal stappen terug kunnen brengen tot een kleiner positief geheel getal.
en als 3m een positief geheel getal is dan is 2m dat ook en
geldt bovendien 2m < 3m.
, mits m niet 0 is
en dan
is m een positief geheel getal en er geldt m < 3m+1.
en als 3m+2 een positief
geheel getal is, dan is 2m+1 dat ook en er geldt 2m+1 < 3m+2.
We brengen een positief geheel getal k nu als volgt terug tot 1: als k=1 zijn we klaar. Als k ongelijk is aan 1 brengen we k volgens bovenstaande stappen terug tot een kleiner positief geheel getal l en gaan we verder met l. Omdat het getal dat teruggebracht moet worden tot 1 bij elke stap kleiner wordt en altijd groter of gelijk aan 1 is, eindigt dit proces bij 1.